Het verhaal van Hanne

Het verhaal van Hanne

Hanne (41) gered uit de dakloosheid

“Na tien jaar overleven op straat was ik compleet op”

Op haar achttiende kwam Hanne in Gent aan als veelbelovende kotstudente. Maar door een slechte relatie en drugs belandde ze op de straatstenen. Letterlijk. Tien jaar lang zwierf ze als dakloze rond in Gent. Net voor Hanne definitief zou wegzinken, gooide de Stad haar een reddingsboei toe, in de vorm van een sociaal appartementje. Een moedige getuigenis van een overlever: “Laat je niks wijsmaken: níémand wil op straat slapen.”

“Het is nog altijd een beetje wennen om een dak boven mijn hoofd te hebben.” Hanne zegt het bijna verontschuldigend terwijl ze op de vloer van haar appartementje gaat zitten. Een hardnekkige gewoonte als je tien jaar lang geen stoel hebt gehad. Al die jaren voerde Hanne op straat een dagelijkse overlevingsstrijd. “Toen mijn sociaal assistente vorige zomer zei dat ik in aanmerking kwam voor een eigen woonst, kon ik het niet geloven.”

Hanne is een van de Gentse daklozen die in het kader van een samenwerkingsproject van Stad, OCMW en WoninGent een sociaal appartement kregen toegewezen. Ze betaalt de huur van haar invaliditeitsuitkering.

Het aanbod kwam net op tijd. Dat beseft Hanne heel goed. “Tien jaar op straat leven, is een aanslag op je lichaam. Zeker als je ondertussen 41 bent geworden. De hepatitis B die ik onderweg heb opgeraapt, had zijn sloopwerk volbracht. Vorig jaar ben ik elf kilogram vermagerd. Er waren dagen dat ik te slap was om me in mijn tentje op te richten en een fles water te pakken. Ik was compleet op. Een kantelmoment was toen ik 50 euro stal van een vriend. Ik heb hem dat de volgende dag opgebiecht, maar ik voelde dat ik mijn laatste greintje eigenwaarde aan het verliezen was.”

“Overdag sliep ik in het openbaar toilet op het Veerleplein. Vaak dacht ik: als mijn moeder me hier zou zien liggen …”

Hanne kwam meer dan twintig jaar geleden vanuit West-Vlaanderen in Gent aan. Een veelbelovende universiteits­student oosterse talen van achttien jaar. “Ik was zo naïef toen. Als achterkomeling hadden mijn ouders me heel streng opgevoed. Uitgaan mocht pas op mijn zeventiende en dan nog kwamen ze me met de auto om 1 uur halen, als het feest nog moest beginnen.”

“In Gent zat ik op kot vlak bij de Overpoort. Ik kwam terecht in een slecht milieu. Mijn eerste lief was een Hollandse dealer die ik als een dom kalf naar Amsterdam ben gevolgd. Daar liep het helemaal fout en na twee jaar keerde ik alleen terug. Ik probeerde het nog in de hogeschool en als dierenartsassistent, maar toen ik kon beginnen in de slagerij van een warenhuis, had ik zulke fijne collega’s dat ik er zes jaar ben gebleven.”

Haar leven leek weer op de sporen te staan. Ze had werk. Ze woonde samen met haar nieuwe vriend, een kinesist, in Ledeberg. “Maar ik ben teruggekeerd naar mijn eerste lief en naar de miserie.” Terugkeren naar haar ouders was nooit een optie. “De kloof tussen hun levenswijze en de mijne is gewoon te groot. En nu zijn ze allebei boven de tachtig.”

Vloerverwarming in het toilet

Uiteindelijk belandde Hanne op de straatkeien. “De eerste weken kan je hier en daar terecht bij kennissen. Maar het duurt niet lang voor je voelt dat je in de weg loopt. Of dat ze uit zijn op je uitkering. En anders krijg je, na enkele dagen slapen in de zetel, wel de vraag of je niet liever naast hen wil liggen in bed.”

Hanne werd een vertrouwd gezicht in de nachtopvangcentra. “Het probleem is dat je daar maar vijf op de veertien nachten mag slapen. De andere negen moet je je plan trekken. Ik heb veel in een tentje geslapen bij de Dampoort of bij Dok-Noord. Meestal samen met een gelijkgestemde dakloze, want alleen is het nog moeilijker om uit te houden.”

Ze sliep ook onder de blote hemel. “Sommige bewoners laten toe dat je in hun portaal overnacht als je het proper houdt, maar even vaak word je weggejaagd. Dan ging ik overdag slapen in het openbaar toilet op het Veerleplein. In de wc voor gehandicapten is er vloerverwarming. Daar heb ik vaak gedacht: als mijn moeder me nu hier zou zien liggen …”

Potteke in de Langemunt

“Je leert te overleven in de stadsjungle door de hele dag rond te tjollen. Jezelf wassen kan in het zwembad Van Eyck, vóór de openingsuren. Bedelen brengt het meest op als je de mensen aanklampt, maar een hond naast jou is nog beter. Ik zat vaak in de Langemunt met mijn potteke. Dat bracht toch gemiddeld 50 euro per dag op. Maar je moet op je hoede zijn voor andere schooiers. Even weggaan van je plaats en je centjes zijn gepikt. Ik ben er vaak weggejaagd door bedelende Romavrouwen die die plek als hun territorium zagen. Om de zoveel uren werden ze afgelost. De wissel van de wacht. (kwaad) Maar die vrouwen heb ik nooit in de nachtopvang gezien.”

Combitaks

“Het is ook uitkijken voor de politie. Drie keer ben ik opgepakt. Omdat ik in een portaal in slaap was gedommeld of volgens een agent niet recht genoeg op een lijn kon stappen. Hup, handboeien om, combi in en naar de politiecel in Ekkergem. En daarna krijg je de rekening voorgeschoteld: 190 euro voor de combitaks en het gebruik van de cel. Dat is duur geld als je dakloos bent. Maar ik ben fier dat ik geen schulden heb.”

Eigen plekje

Ondertussen is Hanne zes maanden weg van de straat. Haar sobere appartementje in een woonblok koestert ze als haar eigen privépaleisje. “De eerste week zat ik nochtans in elkaar gedoken in een hoekje en kwamen de muren op me af. Maar nu ben ik zo blij dat ik eindelijk een plekje voor mezelf heb. Want als dakloze kan je je nooit eens in alle rust afzonderen. Dat vond ik moeilijker om dragen dan de eenzaamheid.” 

Met haar wooncoach trok Hanne naar Ikea om een bed te kopen, een kast en een fornuis. “Ik wou ook absoluut een plant en nu heb ik zelfs een kat.” (lacht)

WoninGent brengt af en toe een onaangekondigd bezoek om te zien of alles goed loopt met Hanne en de flat. “Ze zeggen dat ik een voorbeeld ben.” Het enige waar ze het moeilijk mee heeft, is dat ze geen bevriende daklozen mag laten overnachten bij haar. “Ik lig hier in de warmte terwijl zij buiten de barre koude moeten verbijten. Dat wringt, want in mijn zetel zouden makkelijk twee mensen kunnen slapen. Maar ik wil niet het risico lopen dit kostbare dak boven mijn hoofd kwijt te spelen. Nooit wil ik nog terug naar de straat.

Bron Het Nieuwsblad

dirk

Geef een reactie