We worstelen met mensen op de vlucht

Vervreemd

We worstelen met mensen op de vlucht

Bruno Vanobbergen                                                                                         Sociaal.net
Vluchtelingen worden omschreven als een gevaar. Ze zijn met veel, ze willen allemaal naar ‘hier’ komen en ze hebben droombeelden over Europa die veraf staan van de eigenlijke (financiële) crisis waarin het continent verkeert. Anderen beklemtonen het in gevaar zijn van mensen op de vlucht. Ze wijzen op de wanhoop, opgelopen trauma’s en precaire levensomstandigheden.

TWEESPALT

Over weinig thema’s is de verdeeldheid zo groot. Het maakt dat Europa wikt en weegt, maar in wezen nauwelijks beweegt. Deze complexiteit is op zich niet nieuw. In zijn essay ‘Over gastvrijheid’ wees de Franse filosoof Jacques Derrida er al op hoe het woord ‘hote’, gast, in zeer uiteenlopende betekenissen gebruikt wordt. We vinden het terug in ‘hospitalité’, gastvrijheid, maar ook in zijn pendant ‘hostilité’, vijandigheid.

Deze tweespalt is voor professionals in het sociaal werk, de zorg en het onderwijs heel herkenbaar. Zij worden geconfronteerd met een diversiteit aan denkbeelden en opvattingen als het over mensen zonder papieren gaat. Maar de dagelijkse realiteit dwingt hen wel tot stellingname.

“Kinderen leven op straat.”

Kinderen leven op straat, hebben het moeilijk om hun maandenlange vlucht een plek te geven of maken zich grote zorgen over hun toekomst. Fedasil beschouwt 36% van alle in 2014 in ons land aangekomen niet-begeleide minderjarige vreemdelingen als ‘heel kwetsbaar’. “Hulpverleners ervaren dat het proces dat vluchtelingen doormaken, ziek maakt”. Zo staat het in een recente nota van hetAntwerps Netwerk Cultuursensitieve Zorg.

Leerkrachten, zorgverstrekkers en hulpverleners zijn verontrust, maar ook in verwarring. “Doen we er wel goed aan om mensen op deze manier te blijven helpen?” “Kunnen we gestraft worden wanneer we mensen zonder wettig verblijf ondersteunen?” Tegelijk blijven de meesten doen wat ze denken te moeten doen. De voorbije maanden kreeg het Kinderrechtencommissariaat hierover verschillende signalen.

SCHRIJNENDE SIGNALEN

Een arts van een Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) vertelt het verhaal van een Armeens gezin dat na een verblijf van veertien jaar wordt uitgewezen. De twee kinderen zijn negen en dertien, ze hebben hun hele leven in België gewoond en school gelopen. De vader zit ondertussen in een gesloten centrum. De moeder is met haar kinderen ondergedoken. Ze wordt bijgestaan door de school en het CLB. Het CLB vraagt of de kinderen niet beter ondergedoken blijven in plaats van school te lopen. De vrees bestaat dat de kinderen opgepakt worden.

“Het CLB vraagt of de kinderen niet beter ondergedoken blijven.”

Er is ook het relaas van een huiswerkbegeleidster. In haar brief schrijft ze: “Ik ben huiswerkbegeleidster van twee zusjes. Hun ouders zijn vluchtelingen en wonen bijna vijf jaar in ons land. Hun aanvraag tot medische regularisatie werd afgewezen. Nu hebben ze hun OCMW-steun ook niet meer en redden ze zich met voedselpakketten.” Acht maanden later neemt de dame opnieuw contact op: “Het gezin leeft nog steeds van liefdadigheid en voedselpakketten. Ze hebben bovendien een nog meer noodlijdend Tsjetsjeens gezin met drie kinderen in hun huis opgenomen.”

GASTVRIJ

In het dagelijkse handelen van professionals en honderden vrijwilligers toont zich een vorm van gastvrijheid, een ontvankelijkheid voor de vraag van de ander. Vaak onvoorwaardelijk omdat de confrontatie met de leefomstandigheden van heel wat kinderen en jongeren zonder papieren en hun gezinnen zo dwingend is. Tegelijk lijkt gastvrijheid voor het beleid niet meer bruikbaar. Te vaag, maar ook te gevaarlijk. Zomaar nieuwe groepen mensen ontvangen bedreigt onze veiligheid, onze werkgelegenheid, onze sociale zekerheid.

De discussie over gastvrijheid en asielzoekers blijft gevangen in paradoxen, tegenstellingen en spanningsvelden. Dat is op zich niet eens zo erg. Maar laat ze ons op zijn minst tot onderwerp van reflectie maken.

ALLE MENSEN

De pleegzorg, de brede instap in integrale jeugdhulp, residentiële instellingen en scholen, al deze plekken botsen vandaag op pertinente vragen. Hoe kunnen we verzekeren dat kinderen en jongeren met soms grote psychische problemen en ware trauma’s de gezondheidszorg krijgen waarop ze recht hebben? Hoe realiseren we een duurzame oplossing voor niet-begeleide minderjarigen waarbij de voogd, jeugdzorg, school en de Dienst Vreemdelingenzaken volwaardige partners zijn? Hoe kunnen we, als we kiezen voor een humaan terugkeerbeleid, deze humaniteit concreet vorm geven?

Het zijn vragen die we vaak van ons af schuiven. Omdat er geen tijd is, omdat het zo complex is, omdat we schrik hebben. Maar laat ons elkaar recht in de ogen kijken. En zoeken naar antwoorden. Laat ons vanuit onze professionaliteit het debat en het beleid mee richting geven. Het zal helpen niet te vervreemden van datgene waarvoor we in wezen staan: mensen tot hun recht te laten komen. Alle mensen.

© Titus Simoens

BRUNO VANOBBERGEN (1972) is doctor in de Pedagogische Wetenschappen en sedert 2 juni 2009 Vlaams Kinderrechtencommissaris. Zijn mandaat werd in 2015 voor zes jaar verlengd. Hij is één van de columnisten op Sociaal.Net.